Gemeente:
Vlissingen
Plannaam:
Sportpark Vrijburg
Status:
vastgesteld

Deel

 

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS

 

Artikel 1 Begrippen

 

1.1 plan

het bestemmingsplan Sportpark Vrijburg als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0718.BPSV02-VG01 van de gemeente Vlissingen.

 

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

 

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

 

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft.

 

1.5 agrarische productie

het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen op open grond, daaronder begrepen sier-, fruit- en bollenteelt.

 

1.6 archeologisch deskundige

de Walcherse Archeologische Dienst (WAD) of een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijk deskundige inzake archeologie.

 

1.7 archeologisch onderzoek

onderzoek, verricht door of namens een dienst of instelling, die over een opgravingsvergunning beschikt.

 

1.8 archeologische waarden

de aan een gebied toegekende waarden of de aan een gebied toegekende hoge of middelhoge verwachtingswaarde in verband met de in dat gebied voorkomende of te verwachten overblijfselen uit de oude tijden.

 

1.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

1.10 bestaande maten

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachten de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

 

1.11 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

 

1.12 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

 

1.13 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

 

1.14 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

 

1.15 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

 

1.16 bouwperceelsgrens

een grens van een bouwperceel.

 

1.17 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

 

1.18 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

1.19 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

1.20 horeca

het al dan niet bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken.

 

1.21 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar en algemeen nut.

 

1.22 ondersteunende horeca

horecavoorziening binnen een andere bestemming of hoofdfunctie dan horeca, ten behoeve waarvan en aansluitend op die andere bestemming of hoofdfunctie, een ruimte of gebouw is ingericht, voor de verstrekking en consumptie ter plaatse, van voedsel en dranken.

 

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

 

2.2 breedte, lengte of diepte van een bouwwerk

tussen de bovengrondse buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van scheidingsmuren;

 

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

 

2.4 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

 

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3 Agrarisch

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische productie;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden (lw)’ tevens voor de bescherming en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden in de vorm van behoud van de kenmerkende openheid en beplantings- en bebouwingspatroon;

c. groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen.

 

3.2 Bouwregels

Op de gronden met deze bestemming zijn uitsluitend toegestaan:

a. terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter;

b. per bestemmingsvlak ten hoogste één veldschuur met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2 en een bouwhoogte van 3,5 meter;

c. de bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen of nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 3,5 meter.

 

3.3 Afwijking van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 3.2 voor het bouwen van een ander bouwwerk, met inachtneming van het volgende:

a. het oppervlak bedraagt ten hoogste 50 m²;

b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3,5 meter;

c. afwijking wordt verleend, indien is aangetoond dat zulks noodzakelijk is voor een doelmatige exploitatie van de grondgebonden agrarische productie;

d. op de in lid 3.1, onder b, bedoelde gronden wordt afwijking pas verleend, indien is aangetoond dat het gebouwen past binnen de landschapswaarden; alvorens de afwijking te verlenen vraagt het bevoegd gezag schriftelijk advies aan een landschaps- en natuurdeskundige.

 

3.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

a. de opslag van goederen, anders dan agrarische producten afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf is niet toegestaan;

b. de opslag van dierlijke mest is niet toegestaan;

c. het gebruik van mestbassins is niet toegestaan;

d. het gebruik van waterbassins is niet toegestaan;

f. het gebruik van kuilvoerplaten en sleufsilo’s is niet toegestaan;

 

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

3.5.1 Verbod

Op de in lid 3.1, onder b, bedoelde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie- leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

d. het graven, vergraven, verbreden of dempen van sloten of watergangen en andere waterpartijen;

e. het aanleggen van drainage;

f. het vellen of rooien van struiken of bomen;

g. het beplanten van gronden met struiken of bomen.

 

3.5.2 Uitzonderingen

Het verbod van sublid 3.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden, die:

a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

 

3.5.3 Voorwaarden

Werken of werkzaamheden als bedoeld in de subleden 3.5.1 en 3.5.2 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de in lid 3.1, onder b, genoemde aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

3.5.4 Advisering

Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 3.5.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige omtrent het criterium in lid 3.5.3.

 

 

Artikel 4 Bedrijf

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn ter plaatse van de functieaanduiding ‘nutsvoorziening (nv)' uitsluitend bestemd voor een rioolgemaal.

 

4.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. bouwwerken worden binnen het bestemmingsvlak gebouwd;

b. de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’ aangegeven bouwhoogte.

c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter.

 

Artikel 5 Groen

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen en water;

b. voet- en fietspaden, aan de bestemming ondergeschikte parkeervoorzieningen en verharding ten behoeve van ontsluitingen;

c. nutsvoorzieningen, waaronder waterhuishoudkundige voorzieningen;

d. speelvoorzieningen- en speelplaatsen.

 

5.2 Bouwregels

a. op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen, worden gebouwd en gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 20 m2 en met een bouwhoogte van ten hoogste 4 meter.

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing" mag geen bebouwing worden opgericht.

 

Artikel 6 Sport

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Sport aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het uitoefenen van sportactiviteiten;

b. ondersteunende horeca;

c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, verkeer- en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bovengrondse beregeningsbassins;

d. andere bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals ballenvangers, kleedruimten, clubhuizen, lichtmasten, tribunes, hekken en dug-outs.

 

6.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen bouwwerken worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. het bebouwingspercentage bedraagt ten hoogste het met de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ aangegeven percentage van het maatvoeringsvlak;

b. de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’ aangegeven bouwhoogte of met de aanduiding 'maximale goothoogte en maximale bouwhoogte' aangegeven maximale goot- en bouwhoogte;

c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt ten hoogste:

1. 18 m voor lichtmasten;

2. 10 m voor andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen" mogen geen gebouwen worden opgericht.

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - lichtmasten" mogen geen lichtmasten worden opgericht.

 

6.3 Afwijking van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 tot een toename van ten hoogste 10%.

 

6.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

a. de verkeers-, sociale- en externe veiligheid;

b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing.

 

 

 

Artikel 7 Tuin

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor moes- en siertuinen.

 

7.2 Bouwregels

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd en gebouwen tot een oppervlakte van ten hoogste 20 m2 en met een bouwhoogte van ten hoogste 4 meter.

 

Artikel 8 Verkeer

 

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen met ten hoogste twee rijstroken, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen;

b. groen en water;

c. straatmeubilair, kunstwerken, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen;

d. overige bij deze doeleinden behorende voorzieningen.

 

8.2 Bouwregels

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 6 meter.

 

Artikel 9 Water

 

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. waterberging en waterhuishouding;

b. oevers, bermen, groen en beplanting;

c. bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers, bruggen, sluizen, aanlegsteigers en verwijzingsborden;

d. aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen.

 

9.2 Bouwregels

Op de in lid 9.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 4 meter.

 

Artikel 10 Leiding

 

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Leiding aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding ‘gas’ uitsluitend voor de instandhouding en bescherming van een ondergrondse aardgastransportleiding;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘riool’ uitsluitend voor de instandhouding en bescherming van een rioolleiding;

 

10.2 Bouwregels

Op de in lid 10.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

 

10.3 Afwijking van de bouwregels

a. burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 10.2, voor het bouwen ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, onder de voorwaarde dat:

1. de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten;

2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen, die gemoeid zijn met de leiding of een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft dat, onverminderd het elders in het plan bepaalde, een ontheffing redelijkerwijs niet kan worden geweigerd;

b. een afwijking als bedoeld onder a. wordt slechts verleend na schriftelijke instemming van de leidingbeheerder.

c. in afwijking van het bepaalde onder a. en b. kan de afwijking worden verleend, indien voor de werkzaamheden voortvloeiend uit de bouwaanvraag reeds een aanlegvergunning als bedoeld in lid 10.4 is verleend.

 

10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

10.4.1 Verbod

Het is verboden op deze gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, die de veiligheid kunnen schaden:

a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;

d. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplanting en of bomen;

e. het vellen of rooien van houtgewas.

f. het permanent opslaan van goederen;

g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

 

10.4.2 Uitzonderingen

Het onder 10.4.1 vervatte verbod geldt niet voor de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:

a. welke betreffen het normale onderhoud en beheer van de leiding;

b. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn.

 

10.4.3 Voorwaarden

a. de werken en werkzaamheden als bedoeld onder 10.4.2 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de leiding ontstaat of kan ontstaan.

b. een vergunning als bedoeld onder 10.4.1 wordt slechts verleend na schriftelijke instemming van de leidingbeheerder.

 

10.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten hoeve van het laten vervallen of wijzigen van de situering van de dubbelbestemming als bedoeld in lid 10.1 onder volgende voorwaarden:

a. voor verwijdering: als de leiding definitief is verwijderd;

b. voor aanpassing, mits:

1. geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding;

2. voldaan wordt aan het Besluit externe veiligheid Buisleidingen;

3. een positief advies is ontvangen van de desbetreffende leidingsbeheerder;

c. voor het toevoegen van nieuwe leidingen, mits:

1. de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico binnen de belemmeringenstrook van de desbetreffende leiding ligt;

2. de veiligheid van andere leidingen niet wordt geschaad;

3. het groepsrisico is verantwoord;

4. een positief advies is ontvangen van de desbetreffende leidingsbeheerder.

 

 

Artikel 11 Waarde - Archeologie

 

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie ’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

 

11.2 Bouwregels

 

11.2.1 Bebouwing

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

1. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter;

2. ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) en dubbelbestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) en dubbelbestemming(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien:

a. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige, waaruit blijkt, dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;

b. niet is voldaan aan het bepaalde onder a:

1. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 1 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige;

3. het hiervoor bepaalde is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

- vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

- een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;

- de oppervlakte, waar bodemverstoringen door de bouwwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 500 m² bedraagt;

- de diepte, waar bodemverstoringen door de bouwwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm beneden het maaiveld bedraagt;

 

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

11.3.1 Verbod

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm beneden het maaiveld, waartoe in ieder geval worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, grootschalig egaliseren en ontginnen, het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen;

2. het ophogen van gronden met meer dan 2 meter;

3. het planten of rooien van bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;

4. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen, niet zijnde drainage, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

 

11.3.2 Uitzonderingen

Het verbod, zoals bedoeld in sublid 11.3.1, is niet van toepassing, indien:

a. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarbij lid 11.2 in acht is genomen;

b. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan;

c. de werken of werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

d. de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;

e. de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm onder het maaiveld;

f. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige, dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 11.3.1 nodig is.

 

11.3.3 Voorwaarden

De werken en werkzaamheden, zoals in sublid 11.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin wordt aangetoond, dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:

1. het behoud van archeologische resten in de bodem;

2. het doen van opgravingen;

3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.

 

11.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

 

11.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders te slopen.

 

11.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in sublid 11.4.1 is niet van toepassing, indien:

a. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarbij het bepaalde in lid 11.2 in acht is genomen;

b. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;

c. de diepte, waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm beneden het maaiveld bedraagt;

d. de oppervlakte, waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 500 m² bedraagt;

e. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologisch deskundige, dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 11.4.1 nodig is.

 

11.4.3 Voorwaarden

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in sublid 11.4.1, kan slechts worden verleend, indien:

a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin wordt aangetoond, dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:

1. het behoud van archeologische resten in de bodem;

2. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.

 

11.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen:

a. ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk verwijderen van het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Waarde – archeologie’ met inachtneming van de volgende regels:

1. uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

2. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht, dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;

3. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

b. ten behoeve van het veranderen van het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Waarde – Archeologie’, met inachtneming van de volgende regels:

1. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van ter plaatse aanwezige waarden;

2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

3. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

 

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS

 

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van:

a. in aanvulling op, dus niet cumulatief, de afwijkingsbevoegdheden in deze regels: afwijkingen van de voorgeschreven maten, percentages en oppervlakten tot ten hoogste 10%;

b. afwijkingen tot ten hoogste 10 meter in de plaats, richting of afmetingen van bestemmings- en aanduidingsrenzen ten behoeve van:

1. een geringe aanpassing van het tracé of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid of de verkeersintensiteit daartoe aanleiding geeft;

2. een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde situering van bouwwerken;

3. een aanpassing van de bij uitmeting van een terrein blijkende werkelijke toestand;

c. het oprichten van antennes, antenne-opstelpunten en zend- en ontvangstmasten voor mobiele telefonie, radio- en televisiecommunicatie en alarmeringsvoorzieningen, zoals een sirene, tot ten hoogste 40 meter.

 

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

Artikel 14 Overgangsrecht

 

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

a. een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag, waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b. burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijking verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

c. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

14.2 Overgangsrecht gebruik

Voor het gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

a. het gebruik van grond en bouwwerken, dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c. indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d. het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

 

 

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als ‘Regels van het bestemmingsplan Sportpark Vrijburg van de Gemeente Vlissingen’.