Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Studentenhuisvesting Adriaen Coortelaan
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0718.BPSP02-VG01

Regels

1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 Plan:
het bestemmingsplan "Studentenhuisvesting Adriaen Coortelaan" met identificatienummer NL.IMRO.0718.BPSP02-VG01 van de gemeente Vlissingen.
 
1.2 Bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels.
 
1.3 Verbeelding:
de digitale plankaart.
 
Verdere begrippen in alfabetische volgorde:
 
1.4 Aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.5 Aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.6 Archeologisch onderzoek:
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
 
1.7 Archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarden dan wel de aan een gebied toegekende hoge of middelhoge verwachtingswaarde ten aanzien van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
 
1.8 Bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.9 Begane grond:
de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt via het straatniveau.
 
1.10 Bestaande maten:
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  
1.11 Bestaand (bebouwing en gebruik):
a.
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan dan wel, zoals die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
b.
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
 
1.12 Bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.13 Bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming.
 
1.14 Bevoegd gezag:
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 
1.15 Bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.16 Bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.17 Bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke hoogte, of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de eerste bouwlaag (begane grond) en met uitsluiting van kelder, onderbouw/souterrain, kap of dakopbouw.
 
1.18 Bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.19 Bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.20 Deskundige:
een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening.
 
1.21 Erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
 
1.22 Gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.23 Hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op de bestemming het belangrijkst is.
 
1.24 Kelder:
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer, waarvan de bovenkant op minder dan 0,50 meter boven de aan de kelder aansluitende grond is gelegen.
 
1.25 Mensa:
eet- en drinkgelegenheid voor studenten, die tevens dient als ondersteunende horeca.
 
1.26 Nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van openbaar en algemeen nut.
 
1.27 Ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van een) bouwwerk, dat gelegen is op een diepte van meer dan twee meter beneden peil.
 
1.28 Ondersteunende horeca:
het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen etenswaren, maaltijden en/of dranken, die ondersteunend en/of ondergeschikt is aan de functies.
 
1.29 Overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met maximaal één gesloten wand.
 
1.30 Overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.31 Pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
  
1.32 Peil:
a.
de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw, indien de afstand tussen het gebouw en de kant van de weg minder dan 5 meter bedraagt;
b.
bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
c.
in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het, op het moment van inwerkingtreding van het plan, afgewerkte terrein ter plaatse.
 
1.33 Student:
persoon die ingeschreven is bij een voltijds studie aan een MBO-, HBO- of universiteit, dan wel een persoon die niet langer dan 1 jaar uitgeschreven is bij een voltijds studie aan een MBO-, HBO- of universiteit.
 
1.34 Studentencentrum:
gebouwen met een mensa, sportvoorzieningen en multifunctionele ruimten, zoals vergader- en studieruimte, ruimte voor bijeenkomsten en symposia, voor studenten.
 
1.35 Wonen:
de zelfstandige, of nagenoeg zelfstandige, en onder geringe, ambulante of vrijblijvende begeleiding en/of zorgverlening plaatsvindende, huisvesting van personen.
 

Artikel 2 Wijze van meten
 
2.1
Meten
 
Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten:
  
a.
de bouwdiepte:
 
vanaf het peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk met uitzondering van de fundering of ondergeschikte bouwonderdelen van het bouwwerk.
 
b.
de bouwhoogte van een bouwwerk:
 
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
c.
de breedte, lengte en diepte van een gebouw:
 
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.
 
d.
de inhoud van een bouwwerk:
 
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
e.
de oppervlakte van een bouwwerk:
 
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Gemengd
3.1
Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
sportvoorzieningen, met uitzondering van lawaaisporten,
met dien verstande dat de maximale oppervlakte ten hoogste 1.150 m2 mag bedragen;
b.
studentencentrum, met dien verstande dat de maximale oppervlakte ten hoogste 710 m2 mag bedragen, waarvan maximaal 270 m2 voor de mensa;
c.
bij de bestemming behorende erven, tuinen, groen-, verkeer- en (ondergrondse) parkeervoorzieningen en kunstobjecten;
d.
aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
3.2
Bouwregels
 
Algemeen
 
Op deze gronden mag worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden:
a.
gebouwen moet binnen het bouwvlak worden gebouwd;
b.
de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’ aangegeven bouwhoogte.
c.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 meter.  
 
3.3
Specifieke gebruiksregels
 
Algemeen
a.
het gebruik van gronden of bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 3, is uitsluitend toegestaan indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aangelegd en in stand gehouden wordt overeenkomstig de kencijfers parkeren van de CROW, of indien parkeergelegenheid niet (volledig) op eigen terrein bij de ontwikkeling wordt gerealiseerd, aangetoond wordt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de parkeersituatie ter plaatse en voldaan wordt aan de kencijfers parkeren van de CROW;
b.
sportvoorzieningen mogen tevens gebruikt worden door anderen dan studenten.
 
Artikel 4 Groen
4.1
Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
groenvoorzieningen, parken en tuinen;
b.
water;
c.
speel- en sportvoorzieningen en ontmoetingsplaatsen;
d.
voet- en rijwielpaden, parkeerplaatsen en erftoegangswegen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen;
e.
aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en kunstobjecten.
 
 
4.2
Bouwregels
 
Algemeen
 
Op deze gronden mag worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden:
a.
per bestemmingsvlak mag ten hoogste één gebouw worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 30 m² en een maximale bouwhoogte van 5 meter;
b.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en nutsvoorzieningen, met uitzondering van terreinafscheidingen, bedraagt ten hoogste 10 meter;
c.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste:
 
1.
1 meter vòòr de voorgevel van hoofdgebouwen die op grond van aangrenzende bestemmingen zijn toegestaan;
 
2.
2 meter achter de voorgevel van hoofdgebouwen die op grond van aangrenzende bestemmingen zijn toegestaan.
 
 
Artikel 5 Wonen - Studentenhuisvesting
5.1
Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Wonen - Studentenhuisvesting’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
huisvesting voor studenten;
b.
bij de bestemming behorende erven, tuinen, groen-, verkeer- en (ondergrondse) parkeervoorzieningen, water en andere bij het wonen behorende voorzieningen;
c.
terrassen;
d.
aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
 
Binnen de bestemming ‘Wonen – Studentenhuisvesting’ mogen ten hoogste 279 wooneenheden worden opgericht.
 
 
5.2.2
Gebouwen
 
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a.
gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd;
b.
de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ aangegeven bouwhoogte;
c.
het bebouwd oppervlak bedraagt ten hoogste de met de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%)’ aangegeven percentage, met dien verstande dat een halfverdiepte parkeergarage niet wordt meegerekend.
 
 
5.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
 
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd;
b.
de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 meter;
c.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste:
 
1.
1 meter vòòr de voorgevel van de gebouwen;
 
2.
2 meter achter de voorgevel van de gebouwen;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 meter.
 
5.3
Specifieke gebruiksregels
 
Parkeervoorzieningen
 
Het gebruik van gronden of bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 5, is uitsluitend toegestaan indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aangelegd en in stand gehouden wordt overeenkomstig de kencijfers parkeren van de CROW, of indien
parkeergelegenheid niet (volledig) op eigen terrein bij de ontwikkeling wordt gerealiseerd, aangetoond wordt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de parkeersituatie ter plaatse en voldaan wordt aan de kencijfers parkeren van de CROW.

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 4
 
6.1
Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Waarde - Archeologie - 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
 
6.2
Bouwregels
6.2.1
Bebouwing
 
Voor bouwen gelden de volgende regels:
a.
op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter;
b.
ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) en dubbelbestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) en dubbelbestemming(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien:
 
1.
het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, waaruit blijkt, dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
 
2.
niet is voldaan aan het bepaalde onder a:
  
a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  
b.
de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 1 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige;
  
c.
het hiervoor bepaalde is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
   
-
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
   
-
een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
   
-
een bouwwerk, dat niet dieper wordt gebouwd dan 40 cm.
 
6.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1
Verbod
 
Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm beneden het maaiveld, waartoe in ieder geval worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, grootschalig egaliseren en ontginnen, het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen;
b.
het ophogen van gronden met meer dan 2 meter;
c.
het verlagen of verhogen van het waterpeil;
d.
het planten of rooien van bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
e.
het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen, niet zijnde drainage, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
6.3.2
Uitzonderingen
 
Het verbod in 6.3.1 is niet van toepassing, indien:
a.
de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarbij 6.2 in acht is genomen;
b.
de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan;
c.
de werken of werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
d.
de werken of werkzaamheden tot de normale beheers- en onderhoudswerkzaamheden worden gerekend;
e.
de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
f.
de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm onder het maaiveld;
g.
het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in 6.3.1 nodig is.
 
6.3.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
 
De werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in 6.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin wordt aangetoond, dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
b.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
 
1.
het behoud van archeologische resten in de bodem;
 
2.
het doen van opgravingen;
 
3.
begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
 
6.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
6.4.1
Verbod
 
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te slopen.
 
6.4.2
Uitzonderingen
 
Het verbod als bedoeld in 6.4.1 is niet van toepassing, indien:
a.
de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarbij het bepaalde in 6.2 in acht is genomen;
b.
de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
c.
de diepte, waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm beneden het maaiveld bedraagt;
d.
de oppervlakte, waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 500 m² bedraagt;
f.
het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in 6.4.1 nodig is.
 
6.4.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
 
Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 6.4.1, kan slechts worden verleend, indien:
a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin wordt aangetoond, dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
b.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
 
1.
het behoud van archeologische resten in de bodem;
 
2.
begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
 
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond, die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene bouwregels
 
8.1
Overschrijding bouwgrenzen
 
De bouwgrenzen mogen, in afwijking van deze regels, worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, erkers, balkons, entreeportalen, veranda’s alsmede andere ondergeschikte bouwdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 2,0 meter bedraagt.
 
8.2
Ondergronds bouwen
 
De bouwregels als bedoeld in dit plan zijn van overeenkomstige toepassing op ondergronds bouwen, met dien verstande dat uitsluitend ondergronds mag worden gebouwd tussen peil en 4 meter onder peil.
 
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
 
9.1
Afwijken van maten en bouwgrenzen
9.1.1
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:
a.
het afwijken van de in deze regels voorgeschreven breedte- en dieptematen, oppervlakten, afmetingen en bebouwingspercentages en/of de uitkomst daarvan, met uitzondering van de hoogteregels, tot ten hoogste 10%;
b.
het afwijken tot ten hoogste 5 meter in de plaats, richting of afmetingen van bouwgrenzen ten behoeve van:
 
1.
een geringe aanpassing van het tracé of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid of de verkeersintensiteit daartoe aanleiding geeft;
 
2.
een ruimtelijk, stedenbouwkundig of technisch beter verantwoorde situering van bouwwerken;
 
3.
een aanpassing van de bij uitmeting van een terrein blijkende werkelijke toestand.
 

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels
 
10.1
Wijziging bestemmingsgrenzen/maatvoeringsvlakken
 
Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van het wijzigen van bestemmingsgrenzen en maatvoeringsvlakken op de verbeelding in het horizontale vlak tot ten hoogste 20 meter, indien zulks noodzakelijk is om de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand aan te passen of om een ruimtelijk en technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken te bewerkstelligen dan wel uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en bebouwing en er geen dringende redenen zijn, die zich hier tegen verzetten.
 
10.2
Vergroting bouwvlakken
 
Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak tot ten hoogste 20% van de oppervlakte van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak.
 
10.3
Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming
 
Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk verwijderen van het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Waarde – archeologie’, met inachtneming van de volgende regels:
a.
uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
b.
op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht, dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;
c.
alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen het bevoegd gezag  advies in bij de archeologisch deskundige.
 
10.4
Wijzigingen vorm bestemmingsvlak archeologische bestemming
 
Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van het veranderen van het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Waarde Archeologie’, met inachtneming van de volgende regels:
a.
wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van ter plaatse aanwezige waarden;
b.
er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
c.
alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen het bevoegd gezag  advies in bij de archeologisch deskundige.
 
Artikel 11 Overige regels
 
11.1
Wettelijke regelingen
 
De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden, zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1
Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b.
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  
12.1.2
Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 12.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  
12.1.3
Het bepaalde in 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
12.2
Overgangsrecht gebruik
12.2.1
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  
12.2.2
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  
12.2.3
Indien het gebruik, bedoeld in 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  
12.2.4
Het bepaalde in 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Studentenhuisvesting Adriaen Coortelaan”, gemeente Vlissingen.